Taalbureau TX-T

Language Courses - Texts - Translations

dutch translation dutch translator dutch translation

Taalbureau TX-T

Dutch Courses

Beginners' Dutch

Intermediate Dutch

Advanced Dutch

Staatsexamen I & II

Dutch in Two Weeks

Speaking Skills

Writing Skills

Dutch Courses via Skype

Beginners' Dutch

Intermediate Dutch

Advanced Dutch

Staatsexamen I & II

Pronunciation Workshop

Dutch in Two Weeks

Speaking Skills

Online Exercises

Translations

Clients

Contact




Online Exercises -- Dutch Grammar

This part of the website is still under construction. New sections will be uploaded shortly. Feel free to send us your comments and suggestions!



1. Nouns and Numerals
1.1 Counting
1.2 Nouns
1.2.1 Plurals in -en
1.2.2 Plurals in -s

2. Verbs
2.1 Present Tense
2.2 Present Perfect
2.3 Simple Past

3. Adjectives
3.1 Declining Adjectives
3.2 Comparatives



1. Nouns and Numerals

1.1 Counting

These are the numbers in Dutch:

1 = een 11 = elf 21 = eenentwintig 40 = veertig
2 = twee 12 = twaalf 22 = twee�ntwintig 50 = vijftig
3 = drie 13 = dertien 23 = drie�ntwintig 60 = zestig
4 = vier 14 = veertien 24 = vierentwintig 70 = zeventig
5 = vijf 15 = vijftien 25 = vijfentwintig 80 = tachtig
6 = zes 16 = zestien 26 = zesentwintig 90 = negentig
7 = zeven 17 = zeventien 27 = zevenentwintig 100 = honderd
8 = acht 18 = achttien 28 = achtentwintig 101 = honderdeen
9 = negen 19 = negentien 29 = negenentwintig 200 = tweehonderd
10 = tien 20 = twintig 30 = dertig 1000 = duizend

Fill in the correct number:

1. drie + acht =
2. een + twee =
3. tien + vijf =
4. vierentwintig - veertien =
5. vier x acht =
6. honderd : vijfentwintig =
7. zeven + twee =
8. vijf - drie =
9. tien + drie =
10. zes + drie =
11. twaalf + vier =
12. dertig - vijftien =
13. achtenvijftig + twee�ndertig =
14. twee + vier =
15. achtien : zes =
16. twintig + vijf =
17. zeven x zes =
18. acht + zes =
19. dertien - drie =
20. vijfenveertig + zes =
21. zes x elf =
22. twee + drie =
23. zes + vijf =
24. tachtig - vierenzestig =
25. drie�ndertig + zeven =

↑ back to top

1.2 Nouns: Singular and Plural



1.2.1 Dutch Plurals Ending in -en

First some examples:

een paard twee paarden een boek twee boeken
een hond twee honden een brood twee broden
een lamp twee lampen een mes twee messen

The plural form of most Dutch nouns is formed by adding -en to the noun. As you can see in the examples on the right, in some cases, this -en ending affects the spelling:

  • nouns that end in two consonants simply get -en,
    e.g. het paard (=the horse); de paarden (=the horses)

  • nouns with double vowels like 'oe', 'ui', 'eu', 'ei', 'ij', 'au', and 'ou' simply get -en,
    e.g. het boek (=the book); de boeken (=the books)

  • nouns ending in a double, identical vowel and a single consonant, drop one of the vowels and add -en,
    e.g. het brood (=the loaf of bread); de broden (=the loaves of bread)

  • nouns ending in a single vowel and a single consonant, double the consonant and get -en,
    e.g. het mes (=the knife); de messen (=the knives)


Note that nouns with long vowels that end in -f or -s, get a plural in -ven and -zen respectively, e.g.
het huis (=the house); de huizen (=the houses)
de brief (=the letter); de brieven (=the letters).


Fill in the correct plural form of the following nouns:
(if you mouse over the blue i, the English translation will pop up.)

1. de kaars: de de kaars = the canlde
2. de boom: de de boom = the tree
3. de pen: de de pen = the pen
4. het bord: de het bord = the plate
5. de fiets: de de fiets = the bike
6. de ster: de de ster = the star
7. de hond: de de hond = the dog
8. de taart: de de taart = the cake
9. de vork: de de vork = the form
10. het paard: de het paard = the horse
11. het been: de het been = the leg
12. de wandeling: de de wandeling = the walk
13. de peer: de de peer = the pear
14. de man: de de man = the man
15. de oefening: de de oefening = the exercise
16. de nacht: de de nacht = the night
17. het huis: de het huis = the house
18. het dorp: de het dorp = the village
19. de bes: de de bes = the berry
20. de vrouw: de de vrouw = the woman
21. het strand: de het strand = the beach
22. de kip: de de kip = the chicken
23. het mes: de het mes = the knife
24. de maaltijd de de maaltijd = the meal
25. de pot: de de pot = the jar

↑ back to top



1.2.2 Dutch Plurals Ending in -s

First some examples:

een lepel twee lepels de lepel = the spoon een meisje twee meisjes het meisje = the girl
een jongen twee jongens de jongen = the boy een film twee films de film = the film
een vader twee vaders de vader = the father een auto twee auto's de auto = the car

The plural form of most Dutch nouns is formed by adding -en to the noun, but some nouns have a plural form that ends in -s. These are the categories of nouns that have a plural in -s:

  • nouns ending in a consonant followed by -el, -em, -en, -er, -ie: ;
    (not: �-oel�, �-oer�, �-iel�, �-iem� etc!)
    e.g. de moeder (=the mother); de moeders (=the mothers)

  • most foreign loanwords:
    e.g. de telefoon (=the telephone); de telefoons (=the telephones)

  • diminutives (=forms ending in -je):
    e.g. het koekje (=the biscuit); de koekjes (=the biscuits)

  • 's is added to nouns ending in -a, -i, -o, -u, -y :
    e.g. de oma (=the grandmother); de oma's (=the grandmothers)



Fill in the correct plural form of the following nouns, adding either -en or -s and adapting the spelling if necessary:
(if you mouse over the blue i, the English translation will pop up.)

1. de kamer: de de kamer= the room
2. het ding: de het ding = the thing
3. de dochter: de de dochter = the daughter
4. het huis: de het huis = the house
5. de tafel: de de tafel = the table
6. de familie: de de familie= the family
7. de hand: de de hand = the hand
8. de Nederlander: de de Nederlander = the Dutchman
9. de vogel: de de vogel = the bird
10. de titel: de de titel = the title
11. de conclusie: de de conclusie = the conclusion
12. de keuken: de de keuken = the kitchen
13. de vraag: de de vraag = the question
14. de brief: de de brief = the letter
15. de winkel: de de winkel = the shop
16. de ruzie: de de ruzie = the row
17. de vrouw: de de vrouw = the woman
18. de burgemeester: de de burgemeester = the mayor
19. de minuut: de de minuut= the minute
20. de computer: de de computer = the computer
21. het strand: de het strand = the beach
22. de schouder: de de schouder = the shoulder
23. de kilometer: de de kilometer= the kilometre
24. de televisiede de televisie= the television
25. de kwestie: de de kwestie = the matter

↑ back to top

2 Verbs


2.1 Present Tense

werken lopen zeggen moeten
ik werk ik loop ik zeg ik moet
jij/je/u werkt jij/je/u loopt jij/je/u zegt jij/je/u moet
hij/zij werkt hij/zij loopt hij/zij zegt hij/zij moet
wij/we werken wij/we lopen wij/we zeggen wij/we moeten
jullie werken jullie lopen jullie zeggen jullie moeten
zij/ze werken zij/ze lopen zij/ze zeggen zij/ze moeten

  • The present tense is formed by first taking the stem of the verb. The stem is the infinitive without the -en ending, e.g. werk is the stem of werken.

  • The first person singular (ik) is just the stem; the second and third persons (jij/je/u; hij/zij/het) are formed by the stem plus -t; the plurals (wij/we; jullie; zij/ze) are formed by adding -en again.

  • In some cases, the spelling of these forms must be adapted according to the spelling rules set out under '1.2.1 Dutch Plurals Ending in -en'.


  • Fill in the simple present:
    (if you mouse over the blue i, the English translation will pop up.)

    1. worden: ik worden= to become
    2. weten: u weten = to know
    3. denken: wij denken = to think
    4. zitten: jij zitten = to sit
    5. vinden: ik vinden = to find
    6. maken: u maken = to make
    7. kijken: hij kijken = to look
    8. krijgen: jullie krijgen= to get
    9. geven: jij geven = to give
    10. laten: zij laten = to let
    11. horen: hij horen = to hear
    12. liggen: wij liggen = to lie (down)
    13. vragen: jullie vragen = to ask
    14. leggen: ik leggen = to lay (down)
    15. blijven: het blijven = to stay
    16. reizen: jij reizen = to travel
    17. zetten: jullie zetten = to put
    18. praten: wij praten = to talk
    19. lezen: ik lezen = to read
    20. tellen: ik tellen = to count
    21. werken: zij werken = to work
    22. nemen: jij nemen = to take
    23. beginnen: jullie beginnen = to begin
    24. houden: hij houden = to keep
    25. lopen: zij lopen = to walk

    ↑ back to top

    2.2 Present Perfect

    werken horen geloven
    ik heb gewerkt ik heb gehoord ik heb geloofd
    jij/je/u hebt gewerkt jij/je/u hebt gehoord jij/je/u hebt geloofd
    hij/zij heeft gewerkt hij/zij heeft gehoord hij/zij heeft geloofd
    wij/we hebben gewerkt wij/we hebben gehoord wij/we hebben geloofd
    jullie hebben gewerkt jullie hebben gehoord jullie hebben geloofd
    zij/ze hebben gewerkt zij/ze hebben gehoord zij/ze hebben geloofd

    These are the main rules for forming the present perfect in Dutch:

    • The present perfect consists of an auxiliary verb and a past participle.

    • Use hebben (or in some cases zijn) as the auxiliary verb.

    • The past participle is formed by first taking the stem of the verb (e.g. maak is the stem of the verb maken)

    • Then add ge- to the stem (ge-maak)

    • Then add either a -t or a -d to the stem (ge-maak-t). Add a -t if the final consonant of the stem is one of the consonants of 't kofschip; add a -d if the final consonant is not in 't kofschip.

    • Note that verbs with the prefixes ge-, be-, or ver- do not get ge-: bedoelen --> bedoeld

    • Note that verbs with a stem ending in a t or a d do not get an extra t or d: zetten --> gezet

    • Note that verbs with a -v- or -z- in the infinitive, and an -f- or -s- in the stem, get a -d in the infinitive: verhuizen --> verhuisd


    Fill in the present perfect:
    (if you mouse over the blue i, the English translation will pop up.)

    1. maken: ik maken = to make
    2. dansen: u dansen = to dance
    3. fietsen: wij fietsen = to cycle
    4. redden: jij redden = to save
    5. drukken: ik drukken = to push
    6. bouwen: u bouwen = to build
    7. scheppen: hij scheppen = to shovel
    8. noemen: jullie noemen = to name, call
    9. verhuizen: jij verhuizen = to move house (use zijn as the auxiliary verb)
    10. geloven: zij geloven = to believe
    11. hopen: hij hopen = to hope
    12. draaien: wij draaien = to turn
    13. sneeuwen: het sneeuwen = to snow
    14. leggen: ik leggen = to lay (down)
    15. leren: jullie leren = to learn
    16. reizen: jij reizen = to travel
    17. zetten: jullie zetten = to put
    18. praten: wij praten = to talk
    19. remmen: ik remmen = to brake
    20. tellen: ik tellen = to count
    21. werken: zij werken = to work
    22. wonen: jij wonen = to live (somewhere)
    23. bedoelen: jullie bedoelen = to mean
    24. vertellen: hij vertellen = to tell
    25. leven: zij leven = to live

    ↑ back to top


    2.3 Simple Past

    werken horen geloven
    ik werkte ik hoorde ik geloofde
    jij/je/u werkte jij/je/u hoorde jij/je/u geloofde
    hij/zij werkte hij/zij hoorde hij/zij geloofde
    wij/we werkten wij/we hoorden wij/we geloofden
    jullie werkten jullie hoorden jullie geloofden
    zij/ze werkten zij/ze hoorden zij/ze geloofden

    These are the main rules for forming the simple past in Dutch:

    • The simple past is formed by first taking the stem of the verb (e.g. maak is the stem of the verb maken)

    • Then either add -te or -ten to the stem if it ends in a consonant of 't kofschip; or add -de or -den to the stem in all other cases.

    • For singular verbs, add -te or -de; for plural verbs, add -ten or -den

    • Note that verbs with a -v- or -z- in the infinitive, and an -f- or -s- in the stem, get a -de or -den in the infinitive: verhuizen --> ik verhuisde


    Fill in the simple past:
    (if you mouse over the blue i, the English translation will pop up.)

    1. maken: ik maken = to make
    2. dansen: u dansen = to dance
    3. fietsen: wij fietsen = to cycle
    4. redden: jij redden = to save
    5. drukken: ik drukken = to push
    6. bouwen: u bouwen = to build
    7. scheppen: hij scheppen = to shovel
    8. noemen: jullie noemen = to name, call
    9. verhuizen: jij verhuizen = to move house
    10. geloven: zij geloven = to believe
    11. hopen: hij hopen = to hope
    12. draaien: wij draaien = to turn
    13. sneeuwen: het sneeuwen = to snow
    14. leggen: ik leggen = to lay (down)
    15. leren: jullie leren = to learn
    16. reizen: jij reizen = to travel
    17. zetten: jullie zetten = to put
    18. praten: wij praten = to talk
    19. remmen: ik remmen = to brake
    20. tellen: ik tellen = to count
    21. werken: zij werken = to work
    22. wonen: jij wonen = to live (somewhere)
    23. bedoelen: jullie bedoelen = to mean
    24. vertellen: hij vertellen = to tell
    25. leven: zij leven = to live

    ↑ back to top



    3 Adjectives


    3.1 Adjectives

    These are the main rules for declining adjectives in Dutch:

    • an -e is added to adjectives preceding de-words:
      klein --> de kleine fiets
      rood --> rode wijn

    • adjectives preceding het-words do not get the -e if they are preceded by een, geen, veel or by no article or pronoun at all. In all other cases, adjectives preceding het-words do get an -e:
      oud --> een oud paard
      warm --> veel warm water
      koud --> het koude water

    • adjectives ending in -en never get the extra -e:
      houten --> een houten huis


    Fill in the correct adjective:
    (if you mouse over the blue i, the article as well as the English translation will pop up.)

    1. zwart: de koe de koe = the cow; zwart = black
    2. houten: het huis het huis = the house; houten = wooden
    3. blauw: een pen de pen = the pen; blauw = blue
    4. wild: geen zee de zee = the sea; wild = wild
    5. groot: de auto de auto = the car; groot = big
    6. zacht: een wind de wind = the wind; zacht = gentle
    7. lief: de hond de hond = the dog; lief = sweet
    8. lekker: een broodje het broodje = the bread roll; lekker = tasty
    9. warm: chocolademelk de chocolademelk = the (drinking) chocoalate; warm = warm
    10. wit: het paard het paard = the horse; wit = white
    11. nieuw: geen fiets de fiets = the bicycle; nieuw = new
    12. lang: de wandeling de wandeling = the walk; lang = long
    13. rood: appels de appel = the apple; rood = red
    14. boos: de buurman de buurman = the neighbour (male); boos = angry
    15. moeilijk: een oefening de oefening = the exercise; moeilijk = difficult
    16. donker: de nacht de nacht = the night; donnker = dark
    17. mooi: het huis het huis = the house; mooi = nice
    18. rustig: een dorp het dorp = the village; rustig = quiet
    19. fijn: een dag de dag = the day; fijn = pleasant
    20. oud: veel vrouwen de vrouw = the woman; oud = old
    21. schoon: een strand het strand = the beach; schoon = clean
    22. groen: veel papier het papier= paper; groen = green
    23. scherp: veel messen het mes = the knife; scherp = sharp
    24. warm: het water het water = the water; warm = warm
    25. leuk: een cadeau het cadeau = the present; leuk = nice

    ↑ back to top



    3.2 Comparatives -- UNDER CONSTRUCTION --

    These are the main rules for forming comparatives (e.g. better, bigger, sweeter etc. ) in Dutch:

    • add -er to the adjective:
      klein --> kleiner
      jong --> jonger
      groot --> groter

    • add -der to adjectives ending in -er:
      bitter --> bitterder;
      lekker --> lekkerder

    • comparatives are declined just like normal adjectives (see 3.1 Adjectives):
      de kleine hond --> de kleinere
      het grote huis --> het grotere huis
      een groot huis --> een groter huis


    Fill in the correct comparative:
    (if you mouse over the blue i, the article as well as the English translation will pop up.)

    1. zwart: de koe de koe = the cow; zwart = black
    2. houten: het huis het huis = the house; houten = wooden
    3. blauw: een pen de pen = the pen; blauw = blue
    4. wild: geen zee de zee = the sea; wild = wild
    5. groot: de auto de auto = the car; groot = big
    6. zacht: een wind de wind = the wind; zacht = gentle
    7. lief: de hond de hond = the dog; lief = sweet
    8. lekker: een broodje het broodje = the bread roll; lekker = tasty
    9. warm: chocolademelk de chocolademelk = the (drinking) chocoalate; warm = warm
    10. wit: het paard het paard = the horse; wit = white
    11. nieuw: geen fiets de fiets = the bicycle; nieuw = new
    12. lang: de wandeling de wandeling = the walk; lang = long
    13. rood: appels de appel = the apple; rood = red
    14. boos: de buurman de buurman = the neighbour (male); boos = angry
    15. moeilijk: een oefening de oefening = the exercise; moeilijk = difficult
    16. donker: de nacht de nacht = the night; donnker = dark
    17. mooi: het huis het huis = the house; mooi = nice
    18. rustig: een dorp het dorp = the village; rustig = quiet
    19. fijn: een dag de dag = the day; fijn = pleasant
    20. oud: veel vrouwen de vrouw = the woman; oud = old
    21. schoon: een strand het strand = the beach; schoon = clean
    22. groen: veel papier het papier= paper; groen = green
    23. scherp: veel messen het mes = the knife; scherp = sharp
    24. warm: het water het water = the water; warm = warm
    25. leuk: een cadeau het cadeau = the present; leuk = nice

    ↑ back to top



    Home

    Translations

    Dutch Courses

    Contact